
Voor het eerst in de Belgische filateliegeschiedenis komt er een reeks postzegels op het mini-formaat van 1 op 2 centimeter. Een technisch en artistiek hoogstandje, gewijd aan vijf bijna onzichtbare, maar ecologisch onmisbare microdiertjes. Uitgiftedatum: 20 oktober 2025. Wist u dat Artis-Micropia heeft meegewerkt met deze uitgifte? Kent u onze wetenschapper Antoni van Leeuwenhoek, de uitvinder van de microscoop? Heeft u deze microdiertjes al gezien met een loupe?
Gerelateerde artikelen
Microdiertjes
Het grootste deel van het leven is onzichtbaar. Tweederde van het leven op aarde bestaat uit micro-organismen, en is niet te zien zonder microscoop. We zetten vijf verrassende microdiertjes op postzegel. Speciaal effect: Extra-small postzegels (10 mm x 20 mm).
Sven Bellanger, de ontwerper van de reeks, glundert wanneer hij opnieuw aan de opdracht denkt: “Er leefde een stille hoop dat ik dit thema eens mocht uitwerken tot een postzegel. Het was één van de onderwerpen die ik zelf had voorgesteld en ik was dan ook bijzonder blij dat het gekozen werd en aan mij werd toevertrouwd.” De microwereld heeft hem altijd geboeid: “Hoe fijn is het niet om het onzichtbare zichtbaar te maken en de complexe schoonheid van deze verborgen wereld met een breed publiek te mogen delen?”
2 cm²: een grote uitdaging
Toen hij vernam dat het formaat slechts 1 op 2 cm zou zijn, waren er aanvankelijk wat twijfels. “Ik was natuurlijk heel blij en vereerd om de primeur te krijgen de kleinste postzegel te ontwerpen. Aan de andere kant was ik in eerste instantie wel wat overdonderd en bezorgd.”
De beperkte ruimte, samen met verplichte vermeldingen zoals de waarde-aanduiding en ‘België-Belgique’, vroegen om creatieve oplossingen. Zo ontstond een dubbel formaat: de postzegel kan los gebruikt worden op 1×2 cm, of mét extra perforatie als 2×2 cm, waarop meer details zichtbaar zijn.

Een diverse selectie
Uit talloze soorten werden vijf representatieve microdiertjes gekozen, in nauwe samenwerking met Artis-Micropia. “Het beerdiertje was bijvoorbeeld een absolute must, dan bleven er nog slechts vier plaatsjes over die we wel goed en gevarieerd hebben kunnen invullen,” vertelt Bellanger. Van roeipootkreeftje tot rondworm: elk diertje werd zorgvuldig gekozen op zowel wetenschappelijke relevantie als visuele aantrekkingskracht.
De wetenschappelijke input van Artis was onmisbaar, zo verduidelijkt hun expert: “Microdiertjes worden vaak over het hoofd gezien. Niet zo gek: ze zijn zo klein dat ze moeilijk met het blote oog te zien zijn. Maar wanneer je door een microscoop kijkt zie je dat er een gigantische wereld schuilgaat met een grote variëteit. Onbekend maakt onbemind; en daarom is het fantastisch dat een paar microdiertjes nu vereeuwigd zijn op postzegels.”
Zegels van boven naar onder en van links naar rechts:
- Daphnia pulex (de watervlo)
- Cyclops strenuus (het roeipootkreeftje)
- Caenorhabditis elegans (de rondworm)
- Rotifera, Philodina sp. (het raderdiertje)
- Tardigrada, Hypsibius sp. (het beerdiertje)
Velletje: Een neutrale grijsblauwe achtergrond met schetsen van de microdiertjes en krioelende lijnen.
Bron: Persbericht bpost.
Microscopen
Hoe de vroegste microscopen tot stand kwamen is onduidelijk, maar aan het begin van de 17e eeuw kende de Republiek in Middelburg twee vermaarde lenzenmakers. Hans Lippershey (1570-1619) en Sacharias Jansen (ca. 1585-1632) worden verbonden met de uitvinding van microscoop en telescoop. Hierdoor had de lakenhandelaar Van Leeuwenhoek de beschikking over lenzen en loepen voor de controle van stoffen. In 1648 kreeg hij voor het eerst een vergrootglas in handen: een loep voor de textielhandel met een vergrotende kracht van drie – een dradenteller.

De Nederlander Jan Swammerdam (1637-1680) en de Engelsman Robert Hooke (1635-1703) gebruikten reeds een samengestelde microscoop met oculair en objectief, maar de vergrotende kracht van deze apparaten viel in het niet bij de sterke lenzen die Van Leeuwenhoek zou maken. Zo vergrootte Hookes samengestelde microscoop slechts 30×, terwijl het vergrotend vermogen van de enkelvoudige microscoop van Van Leeuwenhoek kon oplopen tot 270×, zoals blijkt uit een door Van Leeuwenhoek gefabriceerd exemplaar in het bezit van het Universiteitsmuseum in Utrecht.

Het microscopisch natuurwetenschappelijk onderzoek door Hooke leidde in september 1664 tot het baanbrekende boek Micrographia: or Some Physiological Descriptions of Miniature Bodies Made by Magnifying Glasses. Hierin beschrijft Robert Hooke minutieus onder meer een plantencel, een vliegenoog en een vlo.

Het is mogelijk dat deze publicatie Van Leeuwenhoek indirect geïnspireerd heeft zijn lenzen op iets anders te richten dan lakens. Van Leeuwenhoek was een autodidact: zonder enige natuurwetenschappelijke opleiding en zonder kennis van vreemde talen leerde hij zichzelf in een achtervertrek van de winkel de kunst van het observeren en beschrijven. Maar hij was ook een verbazingwekkende vakman die zichzelf glas leerde blazen, slijpen en polijsten. In tegenstelling tot de samengestelde microscoop van Hooke klemde Van Leeuwenhoek vrijwel altijd één lens tussen twee metalen plaatjes, het te bestuderen onderwerp werd met schroeven vastgeklemd en in een positie geplaatst zodat het scherp kon worden waargenomen.

Leeuwenhoeks microscopen. Foto: Henry Baker / Wikipedia.
Zijn wetenschappelijke status stond of viel met zijn exclusieve kennis van lenzenproductie en daarom hield hij zijn methode angstvallig geheim. Hij legde zijn waarnemingen en conclusies vast in brieven die hij aan bekenden schreef waardoor de Delftse arts en anatoom Reinier de Graaf hem in 1673 introduceerde bij de Royal Society in Londen. Vanaf 1674 werden zijn bevindingen gepubliceerd in de Philosophical Transactions, maar op den duur wekten zijn wonderlijke waarnemingen zoveel ongeloof dat een delegatie werd afgevaardigd om de microscopische wezentjes met eigen ogen te aanschouwen. In 1680 benoemde de Society hem als lid en kreeg hij erkenning voor zijn wetenschappelijke productie. Vele preparaten stuurde Van Leeuwenhoek naar Londen. In 1981 ontdekte de Britse microscopist Brian J. Ford dat Van Leeuwenhoeks oorspronkelijke preparaten in uitstekende staat en van hoge kwaliteit bewaard waren in de Royal Society’s verzamelingen. Tot aan zijn dood, in 1723, stuurde Van Leeuwenhoek brieven met zijn bevindingen naar de Royal Society.

Volgens de theorie van de spontane generatie ontstaat leven uit levenloos materiaal (bijvoorbeeld maden uit rottend vlees of vlooien uit vieze lakens). Door de natuurlijke eenheid die Van Leeuwenhoek waarnam, zoals de zaadcellen bij dieren en planten, verwierp hij deze theorie en concludeerde hij dat alle dode en levende stof bestond uit kleine bolvormige deeltjes: globulen, overeenkomstig de heersende leer van Descartes. Nadat hij spierweefsel had bestudeerd erkende hij echter dat vlees niet uit zulke globulen is opgebouwd, maar uit ‘striemtgens’ die van insect tot zoogdier worden aangetroffen.

Meer info:
Microscopen van Van Leeuwenhoek in Boerhaave museum:
https://www.rijksmuseumboerhaave.nl/artikel/microscopen-leeuwenhoek



Reacties (0)
Schrijf een reactie
(registratie is niet nodig)