De Mijnramp van Marcinelle - Postzegelblog

De Mijnramp van Marcinelle

2

De grootste mijnramp die ooit in België plaatsvond was op 8 augustus 1956. Dat gebeurde in het Waalse stadje Marcinelle, vlak bij Charleroi. Door een ongeval brak brand uit in de steenkolenmijn ‘Bois du Cazier’ waarbij 262 doden vielen van twaalf verschillende nationaliteiten. Waaronder een Nederlander.

De Belgische postdienst ‘De Post’ gaf op 5 augustus 2006 een postzegel uit ter herdenking van de catastrofe die het stadje Marcinelle trof door de grootste mijnramp in de geschiedenis van dat land.  275 Mijnwerkers gingen in de ochtend van 8 augustus 1956 in de twee liftschachten naar beneden in de steenkolenmijn ‘Bois du Cazier’. Van hen zouden 262 mijnwerkers niet meer levend bovenkomen. Er ging iets vreselijk mis op 975 meter diepte. De postzegel van België ter herdenking van de mijnramp werd ontworpen door Calisto Peretti.

Op de prentkaart van voor de Tweede Wereldoorlog is de kolenmijn afgebeeld met de twee torens boven de liftschachten. Toestemming om in Marcinelle met de mijnbouw te beginnen werd in 1822 gegeven door koning Willem I der Nederlanden. De mijn werd genoemd naar de eerste eigenaar van het terrein Jean-Baptiste De Cazier die in 1812 was overleden. De mijn werd gesloten in 1891 vanwege grauwvuur, een explosie van kolenstof, vergelijkbaar met mijngas. In 1899 werd de mijn weer in bedrijf gesteld door een nieuwe eigenaar. Een derde mijnschacht werd geboord vanaf 1954 maar was in 1956, toen de ramp plaatsvond, nog niet geheel gereed.

Het begin van de ramp op 8 augustus 1956 om tien over acht in de ochtend. Een kolenwagentje werd in de liftkooi van de mijn geduwd op een plek waar al een leeg wagentje stond. De Italiaanse mijnwerker, de 31-jarige kooilader Antonio Ianetta en zijn helper Gaston Vaussort, dachten dat het kolenwagentje in een lege liftkooi werd geduwd. Het volle wagentje bleef echter voor een deel uit de lift steken. Aan de andere kant werd het al in de lift staande wagentje een stukje terug geduwd maar niet helemaal wegens een defect. De lift kwam door miscommunicatie bovengronds met de bedienaar van de lift van de mijnschacht, plotseling in beweging waardoor het onvermijdelijke ontstond. De twee aan weerszijden uitstekende wagentjes bleven hangen achter een stutbalk van de schacht. Die balk boog door en trok twee telefoonkabels, een olieleiding, een leiding met perslucht en twee stroomkabels die onder 3.000 volt stonden kapot. Door de wegspuitende olie en de perslucht ontstond een explosief mengsel. Van de kapotgetrokken stroomkabels kwam een vonkenregen vrij waardoor de liftkooi en de omliggende mijngangen in een vuurzee veranderden. Een vat naast de liftschacht met ongeveer 1.000 liter olie ten behoeve van de hydraulische balans van de liften, vatte eveneens vlam.

Antonio Ianetta wist zich met zes van zijn maten via de lift van de andere mijnschacht te redden waarna hij alarm sloeg. Gaston Vaussort was te laat en kwam om in de vlammenzee. Bovengronds was het inmiddels duidelijk geworden dat ondergronds een explosie had plaatsgevonden want dikke rookwolken stegen op uit de getroffen eerste mijnschacht. Onmiddellijk werden reddingsoperaties gestart om de ondergrondse mijnwerkers naar boven te halen. Onder hen de 40-jarige Nederlandse mijnbouwkundig ingenieur Jan Humberto Stroom uit Heerlen die als opzichter voor de Luikse firma ‘Entreprise générale des travaux Miniers’ een contract had met de directie van de steenkolenmijn ‘Bois du Cazier’ om een nieuwe, derde mijnschacht te realiseren. Hij ging naar beneden terwijl hij wist dat het ondergronds helemaal mis ging, om zijn mensen die werkzaamheden uitvoerden op 1035 meter diepte te redden. Hij zou niet meer levend naar boven komen. Zijn lichaam werd pas op 18 maart 1957 in de mijn gevonden en geborgen. Hij werd begraven op 28 maart 1957 op de begraafplaats aan de Akerstraat te Heerlen, Nederlands Limburg. Terug naar de dag van de ramp. Antonio Iannetta kleedde zich boven aangekomen snel om en maakte zich in paniek uit de voeten, om de rest van zijn leven op de vlucht te zijn. Hem werd verweten dat hij nalatig was geweest en enkele jaren later emigreerde hij naar Canada, waar hij nog enige jaren leefde en aan kanker overleed. De ramp was niet alleen hem aan te rekenen maar vooral aan het gebrek aan veiligheidsmaatregelen in de verouderde mijn waardoor het noodlot kon toeslaan.

Op het Grand’Place in Marcinelle werd op 20 maart 1960 een monument onthuld ter nagedachtenis van de slachtoffers van de mijnramp. Het monument werd vervaardigd door de Italiaanse beeldhouwer Benso Vignolini. De marmeren herdenkingszuil heeft een hoogte van negen meter. De basis van het monument bestaat uit marmeren blokken. Voor elke nationaliteit een blok met daarin de naam gegraveerd van het betrokken land. In 2009 vond een poging tot diefstal plaats van het bronzen beeld van de mijnwerker naast de zuil dat daardoor zwaar werd beschadigd. Het beeld werd gerestaureerd en in 2017 teruggeplaatst.

© Wikipedia.org

In 2006 werd nog een monument opgericht ter herdenking van de mijnramp. Dit monument staat in het plaatsje Betekom waar een aantal mijnwerkers vandaan kwam. Het beeldhouwwerk is vervaardigd door Roger De Haes die het als volgt omschreef: ‘Twee mijnwerkers, de ramp overleefd, zittend op kolen en leunend tegen elkaar, door het gebeuren aangeslagen en met de blik op oneindig’. De namen van 33 omgekomen mijnwerkers die uit de Vlaamse streek Hageland staan vermeld op de sokkel. De foto werd genomen door Sally V in juli 2017. Het beeldhouwwerk ‘Stilte’ is geplaatst aan de Professor Scharpélaan bij het straatkapelletje aan de afslag Tremelosesteenweg. Een kopie van het monument staat sinds 2012 in de Gedenkzaal van het museum ’Le Bois du Cazier’ in Marcinelle.

De linkerhand van één van de mijnwerkers rust op een mijnwerkerslamp. De andere mijnwerker houdt een handschoen vast. Beiden hebben ze een typische mijnwerkershelm op het hoofd. Verscheidene inwoners van Betekom en omgeving waren slachtoffer van de ramp in Marcinelle. Elke dag vertrok een autobus met 38 mijnwerkers uit de streek Hageland naar de ‘Bois de Cazier’ in Marcinelle, meer dan 100 kilometer rijden. Dat gebeurde ook op die woensdag 8 augustus 1956, de dag dat de ramp iedere Belg met verbijstering en onnoemelijk verdriet trof. Slechts vijf mijnwerkers zouden in de dorpen terugkeren. Van de 38 mijnwerkers die met de bus waren gekomen, vonden 33 kompels de dood door verstikking vanwege de koolmonoxide en de vuurzee op een kilometer diepte. Enkele dorpen in die streek werden zwaar getroffen. Dat waren Baal-Tremelo met twaalf doden, Betekom vier doden, Aarschot vier doden, en Groot-Heist zeven doden. Zo zijn nog vele andere dorpen in de omgeving van Marcinelle, het stadje zelf en de stad Charleroi getroffen door het verlies van hun geliefden. Mijnwerkerszoon Marcel Volkaerts schreef een aangrijpend Nederlandstalig boek over de mijnramp dat op 6 augustus 2016, zestig jaar na de ramp, werd uitgegeven met de titel ‘Kroniek van de grootste Belgische mijnramp – Marcinelle 1956’. Marcel was twaalf jaar toen de ramp zich voltrok.

© Telephoto 1956

Op de gemeentelijke begraafplaats van Betekom achter basisschool ‘De Klimroos’ werden de lichamen van de niet-geïdentificeerde mijnwerkers begraven. In 1957 werd op hun graf een herdenkingsmonument opgericht in de vorm van een mijnwerkerslamp. Op de foto, genomen 27 uur nadat de ramp had plaatsgevonden, staan familieleden, vrienden en bekenden van de mijnwerkers bij de mijn in Marcinelle te wachten op nieuws van hun broer, neef, man of vader of vriend. De directie van de mijn had bij het eerste alarmsignaal opdracht gegeven om de toegangshekken tot het terrein te sluiten. Op dat moment waren pas drie mijnwerkers gered en negen doden geborgen. Zes mijnwerkers hadden zich met de tweede lift kunnen redden toen ook deze vlam vatte en in de schacht neerstortte. De zevende mijnwerker, de Fransman Marcel Caillard, was uit de liftkooi gestapt om aan de bel te trekken om de kooi te laten ophalen. Hij bleef achter en kon zich niet meer in veiligheid brengen.

Het duurde nog maanden lang voordat het laatste slachtoffer naar boven kon worden gehaald. De meesten waren omgekomen door koolmonoxide. De mijngangen moesten eerst worden gelucht voordat de reddingswerkers tot aan de diepste mijngangen konden doordringen. Zij daalden af in een schachtton via de nog niet gereed zijnde derde mijnschacht. Met beademingsapparatuur en een elektrische lamp op de helm in plaats van de mijnwerkerslamp zoals op de postzegel van Frankrijk. Zij vonden geen overlevenden meer. Een Italiaanse reddingswerker kon toen hij weer bovenkwam alleen uitbrengen ‘tutti cadaveri’, alleen maar lijken. De slachtoffers waren 136 Italianen, 95 Belgen, acht Polen, zes Grieken, vijf Duitsers, vijf Fransen waaronder een Algerijn, drie Hongaren, een Brit, een Rus, een Oekraïner en een Nederlander. Op deze dag werden 248 vrouwen weduwe en verloren 417 kinderen hun vader. Van zeventien slachtoffers waren op het moment van de ramp en kort daarna geen nabestaanden in de buurt om hen te identificeren. Ze werden snel begraven, omdat ze te erg verminkt waren. Het waren twaalf Italianen, twee Belgen, een Duitser, een Griek en een Algerijn. De Nederlander Jan Stroom werd voor zijn reddingspoging in mei 1957 postuum de Carnegie medaille toegekend en op 11 november 1957 door koning Boudewijn onderscheiden tot Ridder in de Leopoldsorde.

Door de Belgische Post werd op 19 september 1981, vijfentwintig jaar na de mijnramp een herdenkingsblokje uitgegeven. De tekening naast de postzegel toont de kolkende rookmassa afkomstig uit de twee liftschachten van de brandende kolenmijn. De tekening op de postzegel werd ontworpen naar voorbeeld van een afbeelding op een medaille ‘La Piëta’ van de schilder en graveur Ben Genaux. De tekening naast de postzegel op het blokje werd vervaardigd door Jean Malvaux.

© Repro SPK

De ontwerper van het blokje gebruikte waarschijnlijk als voorbeeld een detail van een foto die tientallen keren werd gebruikt bij artikelen in kranten, tijdschriften en boeken. De twee lifttorens die in de tekening op het blokje zijn te zien, bevinden zich in de dikke rookwolken. De in angst afwachtende menigte staat voor de gesloten poort van de mijn. Zelf was ik twaalf jaar toen het nieuws van de mijnramp bij ons doordrong via radio en kranten en ik weet nog goed hoe iedereen diep onder de indruk was. Van de zeventien omgekomen mijnwerkers die naamloos werden begraven werd vanaf oktober 2021 bij opgravingen DNA verzameld om te trachten met het DNA van familieleden de naam van het slachtoffer terug te geven. Op 8 augustus 2022 hoopt men het onderzoek afgerond te hebben waarna de namen van de slachtoffers bekend zullen worden gemaakt. Een van de initiatiefnemers om de omgekomen mijnwerkers een naam te geven is de zoon van de toen 48-jarige vader Francesco Cicora, die op het moment van de ramp 4 jaar oud was.

© Agrillo Mario

En de mijn zelf? Deze werd officieel op 15 januari 1961 gesloten maar toch bleef men, illegaal, steenkool winnen tot in 1967. De mijnschachten werden later met betonplaten afgesloten en liepen vol water. Bovengronds zijn de twee lifttorens goed onderhouden en bewaard gebleven zoals op de foto uit 2007 genomen door Agrillo Mario is te zien. De omliggende gebouwen zijn sinds 2002 ingericht als museum met behoud van de liftmachines en andere apparatuur die er oorspronkelijk stonden. Aangevuld met vitrines, foto’s, documenten, mijnwerkerslampen en alle attributen die de mijnwerkers gebruikten. Met de nabij gelegen steenberg met mijnafval, de ‘terril’, vormt het museum een stille getuige van de ramp. Sinds 2012 staat de mijn en omgeving op de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Kunt u zich de mijnramp van Marcinelle nog herinneren?

Gratis online postzegelcatalogus

Kijk in onze catalogus voor meer postzegels
België



Nieuwsgierig naar de nieuwste postzegel- en postzegelproducten?

Kijk dan bij Collect Club.

Beoordeel met 1 sterBeoordeel met 2 sterrenBeoordeel met 3 sterrenBeoordeel met 4 sterrenBeoordeel met 5 sterren (5 stemmen, gemiddeld: 5,00 uit 5)
Laden...
PrintSchrijf een reactie

Tags bij dit artikel

Reacties (2) Schrijf een reactie

  • willem hogendoorn op 24 januari 2022 om 19:16

    @Cees: om je vraag te beantwoorden: Ik ben in 1955 geboren, dus ik kan me de mijnramp can Marcinelle in 1956 niet herinneren. Wel met veel interesse jouw verhaal hierover gelezen.

  • Pieter op 24 januari 2022 om 23:02

    Indrukwekkend verhaal van bij onze zuiderburen dat ik “dankzij” de filatelie ken.

Schrijf een reactie

(registratie is niet nodig)