De Engelse Burgeroorlogen - Postzegelblog

De Engelse Burgeroorlogen

0

Tussen 1642 en 1651 vonden enkele bloedige conflicten plaats tussen legers die trouw waren aan de koning en legers van opstandelingen die gesteund werden door het parlement. Een van de redenen was de grote onvrede die er heerste over de wijze waarop het land werd bestuurd.

De parlementen vanaf 1604 tot 1705 hadden in Engeland bijzondere namen. Zo kende men bijvoorbeeld het ‘Gezegend Parlement’ van 1604 tot 1614, het ‘Gelukkig Parlement’ in 1624 en het ‘Nutteloos Parlement’ in 1625. Een parlement dat slechts drie weken stand hield was in april 1640 het ‘Kortdurende Parlement’ dat werd gevolgd door het ‘Langdurende Parlement’ dat duurde van november 1640 tot 1648, kort onderbroken door het ‘Oxford Parlement’ in 1644. Vanaf 1628 tot 1640 had Engeland geen parlement en koning Karel I, afgebeeld op de prentkaart, zond in september 1640 een smeekbede om op 3 november 1640 een parlement bijeen te roepen om financiële rekeningen te laten passeren vanwege de hoge kosten van de oorlogen tegen Schotland. In plaats daarvan beschuldigde het parlement de aartsbisschop van Canterbury van hoogverraad die daarop op 21 december 1640 vluchtte naar Nederland. Aanhangers van koning Karel I keerden zich tegen de aanhangers van het parlement waardoor schermutselingen uitbraken die leidden tot te burgeroorlog.

De Engelse Burgeroorlog wordt verdeeld in drie perioden. De eerste periode was van 1642 tot 1646. De aanleiding was dat Karel I op 4 januari 1642 trachtte vijf leden van het ‘Langdurende Parlement’ die bijzonder fel tegen hem ageerden, gevangen te zetten. Sommige legereenheden, zoals de Marine, en stadslegers keerden zich tegen de koning gesteund door de parlementsleden, de Parlementariërs, terwijl andere legereenheden en de plattelandsbevolking zich solidair toonden met de koning.

Legers van de Parlementariërs werden gevormd en twee weken nadat de koning op 22 augustus 1642 zijn standaard had geplaatst op het kasteel van Nottingham trokken troepen van de Parlementariërs, ‘Roundheads’ genoemd, onder leiding van de 3de graaf van Essex, die 10.000 vrijwilligers had geworven, richting Northampton.

Onderweg hadden andere troepen van de Parlementariërs zich aangesloten, waaronder een detachement cavalerie onder bevel van Oliver Cromwell. Zijn detachement cavalerie had hij opgericht in Huntingdon, zijn geboorteplaats. Het zo gevormde leger bestond uit 21.000 man infanterie en 4.200 man cavalerie. In Huntingdon is het Cromwell Museum gevestigd in het voormalige schoolgebouw waar Cromwell zijn schooljeugd doorbracht. Inmiddels was het leger van Karel I volledig operationeel.

De afbeelding van Cromwell toont een gravure naar een schilderij dat zich bevindt in de collectie van de National Portrait Gallery afkomstig van Earl Spencer. De gravure werd in 1836 vervaardigd door H. Robinson. De legers troffen elkaar voor het eerst in het graafschap Worcestershire. Een cavalerie-eenheid van ongeveer 1.000 man koningsgezinde soldaten onder bevel van prins Rupert van de Palts, een Duitse neef van de koning, versloeg op 23 september 1642 een detachement cavalerie van de Parlementariërs onder bevel van kolonel John Brown. De strijd vond plaats bij een brug over de rivier Teme, Powick Bridge, vlak bij Worcester. De eerste veldslag vond plaats op 23 oktober 1642 bij Edgehill bij Kineton in Warwickshire. Hierbij betwistten de Royalisten en Parlementariërs elkaar de overwinning. Bij het tweede treffen trok het leger van Karel I zich terug in Oxford, waar Karel zou blijven met zijn regering en gebruiken als uitvalsbasis voor de komende jaren.

Op 30 juni 1643 wonnen de troepen van de Royalisten de slag bij Adwalton Moor bij Bradford waardoor de koning de controle kreeg over het grootste deel van Yorkshire. De koningsgezinde stad Lichfield in Staffordshire werd door de Parlementariërs belegerd waarna de Midlands grotendeels onder controle kwam van deze troepen. In datzelfde jaar, op 28 juli 1643, behaalde Oliver Cromwell met zijn cavalerie, de ‘Ironsides’, de overwinning in de slag bij Gainsborough in Lincolnshire waarmee hij zijn faam als strateeg en bevelhebber waar maakte.

Tot dan waren de legers van de koning in vele gevallen succesvol geweest maar het keerpunt kwam toen de Royalisten gedwongen werden in de herfst van 1643 de belegering van Gloucester op te heffen en het leger van de Royalisten bij Newbury in Berkshire op 20 september 1643 werd verslagen. Het grondgebied van Engeland was versnipperd tussen Parlementariërs en Royalisten en Karel I trachtte zijn macht terug te krijgen maar door gebrek aan financiële middelen mislukte dat. In mei 1646 zocht hij toevlucht bij een Presbyteriaans Schots leger in Southwell in Nottinghamshire maar hij werd overgedragen aan het Engelse Parlement en werd gevangen gezet. Dit betekende het einde van de Eerste Engelse Burgeroorlog.

Doordat Karel I tijdens zijn gevangenschap toch meer vrijheid kreeg lukte het hem om op 28 december 1647 een geheim verdrag te sluiten met de Schotten. Daarop besloten de Schotten om Engeland binnen te vallen om Karel I weer op de troon te krijgen. In de zomer van 1648 vielen de Schotten Engeland binnen maar werden verslagen door de Parlementariërs. Ook op andere plaatsen waren opstandjes maar ook die werden neergeslagen. Daaraan kwam een einde in 1649. Deze twee jaar van meer onlusten dan veldslagen wordt aangeduid als de Tweede Engelse Burgeroorlog.  Cromwell werd in 1653 dictator van Engeland door een staatsgreep. Reden was dat het parlement het vertrouwen in hem had opgezegd en geweigerd zijn begroting met betrekking tot de oorlogvoering goed te keuren.

De geheime besprekingen tussen Karel I en de Schotten waren aanleiding voor het parlement om te debatteren over de toekomst van de koning. Enkele leden van het parlement waren voorstander om de monarchie te herstellen. Dat gaf weer aanleiding tot een ingreep van het leger dat oprukte naar het parlement om het herstel van de monarchie tegen te houden. De troepen arresteerden 45 leden van het parlement die op de hand waren van Karel I en beletten 145 andere leden om het parlement te betreden. Slechts 75 leden werden toegelaten. Dit werd het zogenoemde ‘Romp Parlement’ dat opdracht kreeg om uit naam van het volk een rechtszaak tegen Karel I te beginnen. De voorzitter van het parlement weigerde waardoor Cromwell ook die macht naar zich toe trok als lid van het parlement. De rechtszaak, meer een showproces, vond plaats op 20 januari 1649 en 68 tegen 67 leden beslisten dat Karel I schuldig was aan hoogverraad. Karel I werd daarop op 30 januari 1649 onthoofd.

Na de executie van Karel I volgde zijn zoon hem op als Karel II. De jonge prins van Wales bevond zich, na enige tijd in ballingschap in Den Haag te hebben gewoond, op het eiland Jersey. Zijn opvolging werd voor het eerst bekendgemaakt in Edinburgh op 5 februari 1649, gevolgd door een proclamatie op 17 februari 1649 in Saint Helier op Jersey. Op 23 juni 1650 landde Charles II in Schotland bij het plaatsje Garmouth. Cromwell voelde zich bedreigd door de mogelijke aanval van Charles II met een Schots leger op Engeland. Hij trok met zijn leger Schotland binnen en versloeg de Schotten op 20 juli 1651 bij Inverkeithing. Het leger van Cromwell ging verder noordwaarts naar Perth, terwijl het restant van het leger van Charles II naar het zuiden ging. Cromwell achtervolgde Charles en zijn leger tot diep in Engeland.

Het kwam op 3 september 1651 tot een treffen bij Worcester waar het leger van Charles II werd verslagen. Charles kon zich redden door zich te verschuilen in een eikenboom in het woud van Boscobel terwijl de ‘Roundheads’ hem zochten. Mooi afgebeeld op de prentkaart. Door gebruik te maken van schuilplaatsen in huizen van Royalisten kon hij ontsnappen naar Frankrijk. Daarmee eindigde de Derde Engelse Burgeroorlog. Na het overlijden van Oliver Cromwell op 3 september 1658 en een korte periode waarin zijn zoon Richard hem was opgevolgd, werd de monarchie weer hersteld met Karel II als koning. Vanuit Scheveningen keerde hij naar Engeland terug, landde op 25 mei 1660 te Dover en arriveerde op 29 mei 1660 op zijn 30ste verjaardag in Londen. Bijna 5% van de Britse bevolking had gedurende de strijd tussen de Royalisten en Parlementariërs het leven verloren.

Tijdens onze vakanties in Engeland hebben wij vele plaatsen bezocht die herinneren aan de Engelse Burgeroorlogen, vooral die plaatsen die te maken hebben gehad met Oliver Cromwell. In Londen staat een groot standbeeld van hem bij de Parlementsgebouwen in Westminster in 1899 vervaardigd door Sir William Hamo Thornycroft. We hebben zijn huis bezocht in Ely en de school in Huntingdon waar nu het Cromwell museum is gevestigd. En enkele slagvelden waar soms slechts een eenvoudig bordje met de naam en de datum aangaf wat hier had plaatsgevonden. Zoals een stenen plaquette aan de muur van Sidbury Gate ter herinnering aan de laatste slag bij Worcester op 3 september 1651.

En op de terugweg naar Harwich doen we altijd Colchester aan voor een lunch in herberg ‘The Old Siege House’ dat in 1648 het beleg meemaakte van het kasteel in die stad. Toen was het kasteel in handen van de Royalisten en is nu een prachtig museum. In een buitenmuur van de herberg zijn de kogelgaten van de musketten, in rood gemerkt, in de zware balken nog te zien. Tenminste, dat het kogelinslagen waren, beweerde de ‘landlord’….

Gratis online postzegelcatalogus

Kijk in onze catalogus voor meer postzegels
Historisch Groot Brittannië Schilderkunst



Nieuwsgierig naar de nieuwste postzegel- en postzegelproducten?

Kijk dan bij Collect Club.

Beoordeel met 1 sterBeoordeel met 2 sterrenBeoordeel met 3 sterrenBeoordeel met 4 sterrenBeoordeel met 5 sterren (3 stemmen, gemiddeld: 5,00 uit 5)
Loading...
PrintSchrijf een reactie

Reacties (0)

Schrijf een reactie

(registratie is niet nodig)