Doorgeslagen postzegelvellen - Postzegelblog

Doorgeslagen postzegelvellen

0

Proefdruk 2e emissieIn de tijd dat Jan Kluft (al eeuwenlang voorzitter van de Posthoorn, Zaanstreek) nog regelmatig in archieven speurde, stuitte hij op een bijzonder document. Hij liet wat kopieën maken en kwam die kort geleden weer tegen toen hij aan het opruimen sloeg. Het is zo’n beetje de geboorteakte van de tweede emissie van Nederland. “Kun je daar wat mee”, vroeg hij en vertrok naar de wintersport.

Proefdruk 2e emissie

Proefdruk 2e emissie

Het gemopper van tegenwoordig op ‘de Post’ heeft een lange voorgeschiedenis. Slechte dienstverlening, hoge tarieven en het ontbreken van kantoren waren al halverwege de negentiende eeuw bronnen van grote ergernis. Mede naar aanleiding van de vele kritiek kwam de regering in 1850 met een postwet, waarin een aantal zaken beter geregeld werd. Een van de meest opzienbarende vernieuwingen was de aankondiging dat er per 1 januari 1852 postzegels uitgebracht zouden worden, die de mensen konden gebruiken om brieven te frankeren. Het begin van onze hobby.
Dat was bijna een revolutionaire verandering, want het was in die tijd gebruikelijk dat de ontvanger van de brief de portokosten betaalde, en niet de afzender. De postbesteller moest steeds het geld voor de verzending incasseren; als de portokosten vooruit betaald waren, zou dat een hoop tijd schelen.
Omdat veranderingen tijd nodig hebben, was het nog niet verplicht om postzegels te plakken. Tot 1871 kon men zijn brieven ongefrankeerd blijven verzenden. Die overgangsmaatregel leidde ertoe dat er relatief heel weinig postzegels verkocht werden en dat de meeste Nederlanders op de vertrouwde manier (ontvanger betaalt) hun post bleven verzenden.

Aangetekende brief

Oktober 1863, aangetekende brief uit Zaandam naar Helmond. De ontvanger betaalde 20 cent, de afzender had voor de aangetekende verzending betaald.

Ongetand
Die eerste postzegels waren ongetand. De postdirecteur knipte ze uit een vel en ook dat was weer een tijdrovend (en heel precies) werkje. Zegels met mooie randjes van de eerste emissie zijn een stuk zeldzamer dan slordig uitgeknipte exemplaren. Rond 1860 ontstond daar op hoog niveau een discussie over. In andere landen was men inmiddels overgegaan tot de uitgifte van getande postzegels en de vraag rees waarom dat in Nederland niet gebeurde. De Rijk’s Muntmeester overlegde hierover met de minister van Financiën.

Postzegels waren papieren met waarde en daarom was het logisch dat die gemaakt werden in het gebouw waar ook onze geldstukken geslagen werden, ‘s Rijks Munt in Utrecht. De Muntmeester was verantwoordelijk voor de goede gang van zaken. We volgen de discussie in het taalgebruik van toen, mooie lange zinnen, maar dat went vanzelf. We laten de Muntmeester zelf aan het woord, januari 1862. Het is niet te ontkennen dat het omringen van elken postzegels met eene rij kleine gaatjes, ten einde ze, zonder het gebruik eener schaar gemakkelijk en zonder vrees voor beschadiging van elkander te kunnen scheiden voor het publiek gemak aanbiedt en door personen die veel postzegels gebruiken zeer gewenscht wordt.
Maar daar zat nu juist het probleem. Vloeide de vraag naar getande zegels voort uit een echte behoefte, of ging het om de ‘wensch om bij andere natiën niet achterlijk te zijn’?
In die andere landen was de vraag naar postzegels veel groter, waarschijnlijk omdat daar wel de verplichting tot frankeren bestond.

GB, 1e emissie: ongetand

Bij ons zijn de postzegels een artikel van luxe, bestaat er dus geen bepaalde behoefte aan het meer gemakkelijk maken van hun gebruik, doch begrijp ik zeer goed dat bij sommige de wensch opkomt dit luxe artikel voor het gebruik, zoo goed en doelmatig mogelijk te maken (…)’

Technisch gezien achtte de Muntmeester de fabricage van vellen getande postzegels wel mogelijk, al moest er uiteraard een speciaal apparaat voor geconstrueerd worden en moest zo’n ‘werktuig met de uiterste zorg (…) zamengesteld en afgewerkt worden’. Dat ging natuurlijk geld kosten.
Er zouden naar zijn idee ook grotere vellen postzegels moeten komen. De eerste emissie werd gedrukt in vellen van 100, de Muntmeester wilde naar een dubbel aantal, daar moest bij de fabricage van het werktuig dat de invoering van ‘doorgeslagen postzegelvellen’ mogelijk moest maken, rekening mee worden gehouden. Er moesten dus ook nieuwe drukplaten komen en een nieuwe snijmachine, ‘om de postzegelvellen, in verband met het gedrukte gedeelte, regthoekig aftesnijden’.

Er werd een kleine begroting gemaakt:
drie nieuwe drukplaten ad f. 225 f. 675
-een afsnijdmachine f. 300
-een doorslagmachine f. 1800
-te nemen proeven en onvoorziene uitgaven f. 125
te zamen f. 2900

De Muntmeester dacht een half jaar nodig te hebben om de zaak bedrijfsklaar te maken. Buitenlandse voorbeelden (Frankrijk, Engeland) konden bestudeerd worden.
Als ze nu toch aan het veranderen waren, kon er nog wel iets anders meegenomen worden. Voor de nieuwe postzegels zou een nieuwe gravure gemaakt moeten worden.
Die welke thans gebruikt wordt is te zwak van gravure en geeft daardoor aanleiding tot het spoedig afslijten der drukplaten, welke bij eene diepere gravure gemiddeld de helft meer afdrukken moeten leveren dan de thans gebezigde’. De Muntmeester meende dat men voor het staal van de drukplaten het beste zijn licht kon opsteken in Engeland, waar men inmiddels al wat stappen voor liep.

Brief met een paartje nr. 4 van Monnickendam naar Vlaardingen, 1865

Meer over dit onderwerp: J. F. Cleij, Standaardwerk van de postwaarden van Nederland- emissie 1864.

Gratis online postzegelcatalogus

Kijk in onze catalogus voor meer postzegels
Historisch Frankrijk Groot Brittannië Nederland



Nieuwsgierig naar de nieuwste postzegel- en postzegelproducten?

Kijk dan bij Collect Club.

Beoordeel met 1 sterBeoordeel met 2 sterrenBeoordeel met 3 sterrenBeoordeel met 4 sterrenBeoordeel met 5 sterren (1 stemmen, gemiddeld: 4,00 uit 5)
Loading...
PrintSchrijf een reactie

Reacties (0)

Schrijf een reactie

(registratie is niet nodig)