De Romeinen in Zuid-Frankrijk - Postzegelblog

De Romeinen in Zuid-Frankrijk

2

Al vele jaren gaan we op vakantie naar Zuid-Frankrijk. Ooit vroeg iemand me: “Is daar wat te zien dan?” Ik vertelde hem namelijk dat ik voornamelijk in het binnenland, de ‘Haute Provence’ verbleef.

Hij dacht alleen maar aan strand en zee. De vakanties zijn nu uitgelopen op een langdurig zomers verblijf in het zuiden, aan de voet van de Mont Ventoux, en het verveelt nooit. Je kunt daar alle kanten op. Je kunt natuurlijk naar de zee, maar dat is wel het minst interessante aspect. Veel vakantiegangers gaan er naar toe om sportief bezig te zijn, vooral het fietsen heeft hoge prioriteit, maar niet voor mij. Vroeger was het vooral de geschiedenis en de getuigenissen daarvan die interessant waren. Hoeveel grotten, kastelen en ruïnes van burchten, oude vestingstadjes en opgravingen hebben we niet bezocht. Het verveelde nooit. Op elke hoek vindt je wel iets dat de moeite van het bekijken waard is, als je geen strandmuffel bent is dit echt een aanrader. Combineer je dat met de leefstijl, de ‘savoir vivre’ dan zal je hetzelfde overkomen als wat ons is overkomen: je verlangt er elk jaar weer naar terug (al is het alleen al vanwege het klimaat!).
Anna C. van der Maade heeft in het ‘Bondsblad’ een artikel geschreven over enige geschiedkundige aspecten van de Provence die ik u niet wil onthouden. De Romeinen hebben in het gehele gebied waar ze heersten een groot aantal bouwwerken of restanten daarvan nagelaten.

Variërend van de Muur van Adrianus in Midden-Engeland tot de Porta Nigra in Trier en natuurlijk de restanten van de oude stad Rome spreken tot een ieders verbeelding. Af en toe verbaast het, dat men in die tijd al warm en koud stromend water had, riolering en in iedere stad van enige omvang bijvoorbeeld een theater of arena.
Zo ook in de Provence in Zuid-Frankrijk, dat als een vrijwel natuurlijk aansluitend gebied bij het Romeinse Rijk hoorde.

Mooie voorbeelden van Romeinse bouwkunst zijn het aquaduct over de rivier Gard, de arena van Nimes, de Arc-de-Triomphe in Orange en het grafmonument en de triomfboog van Saint-Rémy-de Provence.
In Frankrijk zijn veel postzegels uitgegeven met afbeeldingen van deze monumenten van Romeinse bouwkunst.
Glanum – nu Saint-Rémy-de Provence – is in de zesde eeuw voor Christus gesticht door de Gallische Kelten, en dankt haar ontstaan aan een heilige bron in een goed verdedigbare vallei.
Na de stichting van Massilia (Marseille) door de Grieken kwam Glanum onder de invloed van Griekse handelaren, die de Rhône opvoeren.


Na de Romeinse verovering van de huidige Provence werd Glanum grondig gerenoveerd. De bron werd toegewijd aan de godin Valetudo, die werd vereerd omwille van een goede gezondheid. Er werden grote publieke werken verricht; naast de genoemde tempels en het vergrote Forum ook thermen, tempels, een triomfboog en zelfs een grote stuwdam ten westen van de stad voor de watervoorziening van alle steden in de omgeving. De drainage van het stadsgebied, die voorheen in regenachtige tijden voor grote problemen zorgde, werd geregeld door een ingenieus rioleringssysteem onder de geplaveide hoofdstraat.
Doordat het rioleringssysteem niet meer onderhouden werd, raakte wat overbleef van Glanum (Saint-Rémy-de-Provence) al snel bedolven onder lagen modder en stenen die in regenachtige tijden van de bergen af stroomden.

Alleen twee monumenten, die bekend stonden als Les Antiques, gaven aan waar de stad ooit lag. Deze twee monumenten, een grafmonument en wat over was van de triomfboog, waren alom bekend, werden gerespecteerd en ook onderhouden: in de achttiende eeuw werd op de afgesleten triomfboog een dakpanbekleding aangebracht om verdere verwering te voorkomen.
Aan de rand van de oude stad Glanum, staan de enige twee bouwwerken die altijd bovengronds en min of meer intact zijn gebleven: het grafmonument van de familie Iulii, en de triomfboog. De restauratie van beide monumenten werd heel succesvol beëindigd in 2008. Het grafmonument is uitzonderlijk mooi bewaard gebleven, en bestaat uit drie verdiepingen: twee vierkante lagen met een tholos (ronde tempel) bovenop. Het opschrift luidt: SEX • L • M • IVLIEI • C • F • PARENTIBVS • SVEIS – Sextus, Lucius en Marcus Iulius, zoons van Gaius, aan hun ouders.
De onderste verdieping van het monument bevat reliëfs die mythologische taferelen voorstellen, waarin meermalen sprake is van een gevallen strijder, en de tholos bevat (kopieën van) beelden van twee mannen. Men denkt dat, behalve aan de ouders van de drie broers Iulius, het monument ook gewijd is aan een gestorven oudere broer.
De triomfboog, tenslotte, markeerde vroeger de rand van de stad, en bevat reliëfs van gevangengenomen Gallische krijgers.


Een andere beroemde inwoner van Saint Rémy de Provence was Vincent van Gogh.

Dit artikel is afkomstig uit ’t FakTuweeltje

Gratis online postzegelcatalogus

Kijk in onze catalogus voor meer postzegels
Thematisch Frankrijk Vincent van Gogh



Nieuwsgierig naar de nieuwste postzegel- en postzegelproducten?

Kijk dan bij Collect Club.

Beoordeel met 1 sterBeoordeel met 2 sterrenBeoordeel met 3 sterrenBeoordeel met 4 sterrenBeoordeel met 5 sterren (5 stemmen, gemiddeld: 4,80 uit 5)
Loading...
PrintSchrijf een reactie

Reacties (2) Schrijf een reactie

  • Patrick op 6 april 2016 om 07:55

    “Is daar wat te zien dan?” Misschien was de vraagsteller wel familie van de melkboer van Simon Carmiggelt. Die was op vakantie geweest naar Brabant, en hij vond het er práchtig. Ik laat het hele heerlijke stukje hieronder volgen, voor literaire (en andere) fijnproevers …

    En ja hoor, daar was hij weer, de melkboer – licht gebruind terug van de vakantie en als u het mij vraagt een tikje voller in het gezicht.
    ‘Leuk geweest?’ vroeg ik, blootsvoets op het kokos van onze fakirmat, maar hij woof mijn understatement dadelijk de gang in en riep: ‘Leuk? Wat heet leuk? Gewél-dig. Schit-te-rend. Ik ga in mijn leven nooit meer ergens anders naar toe dan naar Brabant.’
    ‘O, is het daar zo… eh… prachtig?’ mikte ik, van de mat op het zeil stappend, dat wel koud is maar niet zo prikkerig.
    ‘Meneer, ik zal u vertellen…’ zei hij en hij zette de flessen op de grond, omdat het een lang verhaal met veel wijswerk zou worden. ‘We waren daar in een pension hè, en dat kostte vijftig gulden per dag. Alles inbegrepen. Alles. Om te beginnen, een pracht van een kamer, schone lakens en slopen, stromend water, afijn wát je maar wou. Kwam je ’s ochtends beneden, dan was de tafel al gedekt. En op die tafel stond…’
    Hij begon op zijn vingers af te tellen, staccato sprekend, de blik triomfantelijk op mij gericht: ‘Op die tafel stónd: wit brood; bruin brood; zwart brood; worst; kaas; spek; een ei; sjem; hagelslag; koek; een ei. Het ei heb ik al gehad, geloof ik… nou ja… koffie en thee was er net zoveel als je wou. Was je koppie leeg, dan riep je maar: “Juffouw Annie, hiero,” en dan werd je bijgeschonken. Dat kostte niks. Was inbegrepen bij de vijftig gulden. Nou, om elf uur was het weer: koffie met een wafeltje. Zeg maar gerust wáfel. Hij was zó groot, ongevéér hoor, ik wijs uit me hoofd, maar hij was eerder groter dan kleiner. De wafel was ook inbegrepen. Goed, zo tegen halfeen ging je naar boven, op je kamer, om je op te knappen, handen wassen en gezicht en dan kwam je beneden en daar stond dan de lunstafel al weer klaar. Ging je zitten en dan kreeg je…’
    Hij begon weer af te tellen, zijn grote, trouwe duim in de lucht.
    ‘Soep. Elke dag andere soep. Ballen d’r in. Zulke ballen. En zuivere vleesballen hoor. De ene keer vier, de andere keer vijf, ik heb er wel eens acht gehad, maar dat was natuurlijk een tref. Nou, als de soep op was en je had twee, drie bordjes genuttigd, dan kwam er vlees, aardappels en groente. Zo’n stuk vlees. Met sju erbij. Goeie vette sju. Waren je aardappels op, dan riep je maar: “Juffrouw Annie, hiero!” en dan kwam ze aan met de pan en de pollepel, pats we hebben wel eens gelachen, ze zei en keer: “Nou, het lijkt wel of deze tafel direct op de riolering is aangesloten. “Puddinkie toe. Lekker puddinkie. Goed in de krenten. Maar daar kon je er maar één van krijgen. Dat is begrijpelijk. Wie dan meer pudding wil, die moet maar betalen, niet waar? D’r waren wel types die wouwen vier, vijf puddinkies eten, inbegrepen… ach meneer, dat heb je altijd. Daar zijn wel eens harde woorden over gevallen. Maar verder geen wánklank.
    ‘En ’s avonds?’ vroeg ik, want het begon me mee te slepen.
    ‘Ho ho,’ riep hij glimlachend. ‘Vergeet de thee niet. Om vier uur was het theedrinken geblazen. Wéér met zo’n wafel. Eén. Maar net zoveel thee als je wou, drie, vier, vijf koppen, dat gaf niet. Na de thee ging je naar je kamer, ’n half uurtje liggen, je gezicht eens een beetje wassen en je handen, nou, en dan stond beneden de tafel al gedekt voor het diner. Soep weer. En een warm schoteltje… lekker hoor, alleen voor de gróte eters een beetje weinig. Maar geen nood, want daarna had je weer je vlees, je groenten, je aardappels, allemaal volop. En een stuk fruit toe. Dat mocht je nemen uit zo’n mand. Ik nam meestal een peertje. Lekker peertje. Niet groot. Maar sappig.’
    Hij keek er peinzend op terug. ‘Nou, ’s avonds ging je maar vroeg slapen,’ zei hij. ‘Ik kan u Brabant aanbevelen, hoor. ’t Is práchtig daar.

  • J. van den Bosch op 6 april 2016 om 17:11

    Vraagsteller is geen familie van die melkboer maar wel enthousiast voor dat deel van Frankrijk. Er zijn ook nadelen: je hebt altijd mooi weer, je drinkt te veel wijn en je doet aan jeu de boules. Belangrijkste is, en dat ben ik met die melkboer eens: je voelt je er happy en thuis. Na heel veel over de wereld gereisd te hebben ben ik tot de ontdekking gekomen dat het niet zoveel uitmaakt waar je naar toe gaat. Als je je daar maar senang voelt.

Schrijf een reactie

(registratie is niet nodig)